Aandoening

Monoklonale antilichamen in de oncologie

Monoklonale antilichamen (mAb's) zijn laboratoriumgeproduceerde eiwitten die specifiek binden aan een doelwit op het celoppervlak of in de extracellulaire ruimte. In de oncologie worden ze ingezet voor: directe tumorceldoding (rituximab — ADCC/CDC), receptorblokkade (cetuximab — EGFR-blokkade), ligandneutralisatie (bevacizumab — VEGF-binding), immuunmodulatie (pembrolizumab — PD-1-blokkade) en als drager van cytotoxische payloads (ADC's).

Kernbegrippen

ADCC
Antibody-Dependent Cellular Cytotoxicity — NK-cellen doden met antilichaam gecoate tumorcellen.
Biosimilar
Biologisch geneesmiddel dat vergelijkbaar is met een reeds goedgekeurd referentieproduct in kwaliteit, werkzaamheid en veiligheid.

Monoklonale antilichamen: mechanismen en toepassingen

Nomenclatuur

-ximab: chimeer (mens/muis). -zumab: gehumaniseerd. -mumab: volledig humaan. IgG1: sterkste effector functies (ADCC, CDC). IgG4: minimale effector functies (gebruikt bij checkpointremmers om immuunceldepletie te voorkomen). Biosimilars zijn breed beschikbaar voor rituximab, trastuzumab en bevacizumab, wat de kosten aanzienlijk verlaagt.

← Alle onderwerpen in Doelgerichte therapie