Immunosuppressie en infectierisico bij kanker
Immunosuppressie en infectierisico bij kanker betreft een belangrijk aspect van de dagelijkse oncologische praktijk. Deze pagina biedt evidence-based aanbevelingen, praktische handvatten en richtlijnkaders voor optimale patiëntenzorg.
Immunosuppressie en infectierisico bij kanker
Infectierisico
Chemotherapie-geïnduceerde neutropenie: belangrijkste infectierisicofactor. Nadir typisch dag 7-14 na chemotherapie. Febriele neutropenie is een oncologische spoedsituatie (mortaliteit 5-10%). T-cel-gemedieerde immunosuppressie: fludarabine, bendamustine, anti-CD20, allogene SCT — risico op opportunistische infecties (PJP, CMV, VZV, schimmels). Checkpointremmers: geen klassieke immunosuppressie maar irAE-behandeling met corticosteroïden en immunosuppressiva veroorzaakt secundaire infecties.
Profylaxe
Antibacterieel: ciprofloxacine bij verwachte neutropenie >7 dagen (controversieel door resistentie). Antiviraal: valaciclovir bij purine-analogen, bortezomib, anti-CD38, allogene SCT. Anti-PJP: cotrimoxazol bij T-cel-immunosuppressieve regimes. Antifungaal: posaconazol bij AML-inductie, hoog-risico MDS. Vaccinaties: influenza jaarlijks (geïnactiveerd), COVID-19-vaccinatie, pneumokokken. Levende vaccins gecontraïndiceerd bij immunosuppressie.