Praktijk

Immuungerelateerde bijwerkingen (irAE's): herkenning en management

Immuungerelateerde bijwerkingen (irAE's) zijn het gevolg van geactiveerde T-cellen die lichaamseigen weefsels aanvallen. Zij komen voor bij 60-90% van de patiënten (alle graden) en bij 10-60% in ernstige vorm (graad 3-4), afhankelijk van het middel. Vroegtijdige herkenning en protocollair management met corticosteroïden zijn essentieel. Het ESMO Clinical Practice Guideline for irAE management is de referentiestandaard.

Kernbegrippen

irAE
Immune-Related Adverse Event — bijwerking van checkpointremmers door auto-immuunachtige orgaanschade.
Gradering
CTCAE-gradering 1-5: graad 1 (mild), graad 2 (matig), graad 3 (ernstig), graad 4 (levensbed dreigend), graad 5 (fataal).
Herstart
Hervatten van immunotherapie na resolutie van irAE — mogelijk bij graad ≤2, gecontraïndiceerd bij graad 4 of specifieke orgaantoxiciteit.

Herkenning en behandeling van irAE's

Principes

Graad 1: continueer, monitor. Graad 2: pauzeer, overweeg steroïden. Graad 3: stop, hooggedoseerd prednisolon (1-2 mg/kg). Graad 4: stop definitief, IV methylprednisolon, overweeg additionele immunosuppressie (infliximab, mycofenolaatmofetil, tacrolimus). Specifieke orgaantoxiciteiten vereisen gerichte expertise: cardiologie bij myocarditis, gastro-enterologie bij colitis, endocrinologie bij hypofysitis.

← Alle onderwerpen in Immunotherapie